Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2668

Datum uitspraak2004-09-15
Datum gepubliceerd2004-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/6094 AWBZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzet tegen uitspraak inzake niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep vanwege het niet (tijdig) betalen van het griffierecht ongegrond verklaard.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/6094 AWBZ U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats] (Marokko), opposant en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij uitspraak van de Raad van 1 juni 2004 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak van de Raad heeft opposant bij brief van 23 juni 2004 een verzetschrift ingediend. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 8 september 2004, waar partijen -zoals tevoren bericht- niet zijn verschenen. II. MOTIVERING In dit geding is de vraag aan de orde of de Raad opposant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. De uitspraak van de Raad van 1 juni 2004 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht niet binnen de door de griffier bij aangetekende brief van 23 maart 2004 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. Opposant geeft in zijn verzetschrift aan dat hij zijn zwager heeft verzocht om het verschuldigde griffierecht over te maken maar dat dit helaas niet is gebeurd. De Raad overweegt dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt geldt dat het risico van het “niet tijdig” betalen van het griffierecht volledig voor rekening komt van de partij die het hoger beroep instelt. In aansluiting op hetgeen in de uitspraak van 1 juni 2004 is overwogen merkt de Raad op dat hij in hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen. Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004. (get.) M.I. ‘t Hooft. (get.) C.H.T.W. van Rooijen. MvK14094